Over sokke die sakke

Deze tekst verscheen in de nieuwsbrief ‘Leesvoer’ van juni 2026.

Wiedewiedewie, wie herkent ‘m, de sokke die sakke van Joke van Leeuwen? Met haar gedicht ‘me sokke sakke so’ begon mijn liefde voor kinder- en jeugdpoëzie. Ik las het in de hogeschool, kwam het later in mijn juffencarrière terug tegen en lees het nu graag vol enthousiasme voor wanneer ik met een groep kinderen aan de slag ga.

Een vroegere collega vertelde me onlangs dat in hun gezin de uitroep ‘Me sokke sakke so’ regelmatig klinkt wanneer het gekende probleem van slechtzittende kousen zich stelt. Ook hier thuis hebben zinnen uit kinderboeken hun plekje veroverd in ons gezinsvocabularium:

  • Wanneer één van de zonen met een blaas die op springen staat naar toilet spurt, luidt “Ik moet zo nodig!” mét Hollands accent. (Uit: Hé, wie zit er op de wc? – Harmen van Straaten)
  • Beleefd als we zijn, wordt “Alsjeblieft en graag gedaan!” gedistingeerd en welgemanierd uitgesproken, wanneer we iets voor elkaar doen. (Uit: Garage Gust – Leo Timmers)
  • De goede raad “We kunnen er niet bovenover, we kunnen er niet onderdoor. We moeten er dwars doorheen’” wordt door vader of moeder verkondigd, wanneer een uitdaging zich stelt (deze examenweek meermaals te horen!). (Uit: Wij gaan op berenjacht – Michael Rosen)

En keer op keer moet ik glimlachen. Wat voorlezen vermag!

OK, terug naar de sokke die sakke. Dat gedicht lees ik heel graag voor voor kinderen: interactief, enthousiast en met veel expressie. Ik neem een toverstokje in de hand: “Jongens en meisjes, ik besmet jullie met het BOOSvirus!” En dan zwaai ik met m’n stokje in ‘t rond en verandert mijn mimiek in een heel kwade expressie. “We hebben een probleem met onze sokken en daar zijn we boos over. Luister goed!” En dan lees (of beter: roep) ik het gedicht heel boos voor.

Tijdens de eerste luisterbeurt zie ik vragende blikken. “Waar gaat dit gedicht toch over?” zie ik in de ogen van de kinderkens. We praten er kort over. Wat zijn stiekelties? Waarom schreef de auteur sakke en niet zakken? En so i.p.v. zo? Hoe klinkt dit gedicht? En dan klaren de blikken in de oogjes al wat op.

Nadien lees ik het gedicht opnieuw voor en zeggen alle kinderen mij – regel na regel – boos na. We roepen, we stampevoeten, we kijken verbijsterd… En daarna wappert het toverstokje opnieuw:  “Jongens en meisjes, ik besmet jullie met het DROEFvirus!” En hupsa, we lezen het gedicht opnieuw samen luidop, maar nu héél, héél triestig (snif).

En meestal zie ik op dat ogenblik dat de kinderen er zin in krijgen. Dat de remmen wegvallen, dat de uitroepen luider worden, dat de gezichtjes nog wat droeviger kijken. Soms heeft het stafje ook nog BLIJvirus of BANGvirus of VERLEGENvirus in petto. En na enkele voor- en naleesbeurten kennen de kinderen het gedicht meestal vanbuiten. Als zodanig geen doel, wel mooi meegenomen. Maar wat belangrijker is: na enkele voor- en naleesbeurten hebben de kinderen de kracht van de taal gevoeld, ze hebben ermee gelachen, ze hebben er zich aan overgegeven.

Maar is die poeha wel nodig? Voorlezen met een toverstaf, een koksmuts, een roze bril, staand op een stoel…, is dat niet overdreven? Is het gedicht (voor)lezen an sich al niet voldoende?

Het is een vraag die ik me al langer stelde. Tot ik op 26 mei Maud Vanhauwaert hoorde spreken in De Krook in Gent. Ze las een ode aan de bibliotheek voor, in de vorm van een brief aan Van Dale, waarin ze zei:

… boeken liggen niet zomer dichtgeklapt te verstoffen, maar worden opengeslagen, worden uitgedragen.

… verhalen kan je niet alleen lezen, je kunt ze ook horen, voelen, ruiken, snuiven. Beleven.

Toen bedacht ik me: ja, een gedicht is een op zichzelf staande prachtige taaluiting en heel wat kinderen kunnen daar (lezend of voorgelezen wordend) van genieten. Maar, voor heel wat kinderen blijft poëzie een (of vele) brug(gen) te ver.

En daarom dienen gedichtenboeken opengeslagen en uitgedragen te worden,
daarom dienen gedichten gehoord, gevoeld, geroken en gesnoven te worden.
Enthousiasme kan deuren van harten openen!
Met bezieling gedichten voorlezen, soms ‘klein en ingetogen’ maar soms ook ‘groots en dramatisch’, is  als een schoon pakske dat je samen met kinderen uitpakt.

Dat kleine momentje samen poëzie beleven, daar zit veel sterkte in!

Wat je ook doet met een gedicht: het voorlezen, het omhoog hangen in de klas, er een beeldende activiteit rond ontwikkelen…, vergeet nooit de auteur en illustrator te vermelden. Je gebruikt zijn/haar werk, je geeft er je eigen invulling aan, je krijgt de kans om zijn/haar mooie woorden en prachtige beelden over te dragen. Ga er zorgzaam mee om :-)!

Contacteer me!

Ben je toe aan frisse inspiratie? Organiseer je graag een boeiende studiedag, vorming, infoavond, …? Klaar om jullie leesbeleid naar een hoger niveau te tillen? Kijk je er naar uit om samen te werken? Heb je een vraag of een leuk idee? Ik hoor je graag!